link
Blog: schadeloosstelling op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht
14 Februari 2018

Een schadeloosstelling op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht of op grond van 6.1 Wet ruimtelijke ordening?

Bespreking van het arrest van het Gerechtshof Den Haag, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:22.

Op 23 januari 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag een arrest gewezen over de manier waarop invulling moet worden gegeven aan het begrip volledige schadeloosstelling bij een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht in relatie tot planschade.


 
Eerste aanleg
Op 28 augustus 2009 is op grond van de Wet ruimtelijke ordening een rijksinpassingsplan vastgesteld. Hierin is het tracé van een door TenneT aan te leggen 380 kV-hoogspanningslijn tussen Wateringen en Zoetermeer vastgesteld. Een deel van deze lijn loopt over het perceel van appellanten. Tussen TenneT en appellanten is geen overeenstemming tot vestiging van een zakelijk recht tot stand gekomen. Zodoende is op 24 februari 2011 een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgelegd.
In eerste aanleg vorderen appellanten op grond van artikel 14 Belemmeringenwet Privaatrecht een volledige schadeloosstelling. Deze bestaat volgens hen uit € 537.290,65 aan vermogens- en inkomensschade, en € 107.290,65 aan rechtsbijstand kosten. 
De kantonrechter veroordeelt TenneT echter tot betaling van (slechts) € 3.635,- en volgt met deze uitspraak het adviesrapport van deskundige. De gevorderde deskundigenkosten wijst de kantonrechter af. Hij acht deze niet goed onderbouwd.
 
Hoger beroep
Appellanten bepleiten dat de schadeloosstelling volgens de Belemmeringenwet Privaatrecht moet worden begroot, al dan niet naar analogie, aan de hand van de Onteigeningswet. De Belemmeringenwet Privaatrecht garandeert de grondeigenaar een volledige schadeloosstelling voor het verlies van de vrije gebruiksmogelijkheden van eigendom. Appellanten stellen dat het recht op schadeloosstelling op grond van artikel 14 Belemmeringenwet Privaatrecht ook omvat recht op vergoeding van de waardevermindering van het perceel als gevolg van het rijksinpassingsplan. Bovenstaande punten worden door appellanten onderbouwd door middel van de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet.

“In dit artikel wordt aangesloten bij de formulering van de schadeloosstelling zoals opgenomen in artikel 40 onteigeningswet (artikel 15.2 Omgevingswet). Dit omdat voor de gedoogplichten die onder Belemmeringenwet Privaatrecht worden opgelegd uit de jurisprudentie (o.m. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, op 16 juni 2009 (…), volgt dat die wet voorziet in een financiële compensatie die qua karakter en resultaat vergelijkbaar is met een door de onteigeningswet verzekerde schadeloosstelling. (…)’’
 
Het hof volgt echter het standpunt van de kantonrechter. Deze heeft zich gebaseerd op de deskundige. De deskundige gaat uit van een onderscheid tussen waardevermindering van de grond als gevolg van het rijksinpassingsplan en waardevermindering als gevolg van de gedoogplicht. Voor het verkrijgen van een tegemoetkoming in de schade als gevolg van het rijksinpassingsplan stond (exclusief) de weg open van artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening. De schade waarvoor een schadeloosstelling op grond van artikel 3 juncto artikel 14 Belemmeringenwet Privaatrecht kan worden gevraagd, is uitdrukkelijk beperkt tot schade die een gevolg is van de aanleg en instandhouding van een werk in de zin van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Voor een uitbreiding van de schade tot waardevermindering van de grond als gevolg van het rijksinpassingsplan is in het recht geen steun te vinden. Nu er geen sprake is van onteigening in de zin van de Onteigeningswet is er evenmin grond de schade te begroten aan de hand van of naar analogie aan de Onteigeningswet. De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel van de Invoeringswet Omgevingswet biedt geen steun voor een zodanige uitbreiding, want de inhoud van deze regeling is nog onzeker en vormt naar het oordeel van het hof een breuk met huidige wettelijke regelingen.
 
Opvallend
In onderhavige zaak vallen een aantal zaken op. Allereerst dat het debat zich toespitste op de Memorie van Toelichting Invoeringswet Omgevingswet en niet op de jurisprudentie die de aard en omvang van de schadeloosstelling op basis van de Belemmeringenwet Privaatrecht sinds de jaren 60 van de vorige eeuw gestalte hebben gegeven. De strekking van deze jurisprudentie is als volgt: Een schadeloosstelling op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht betreft een volledige schadeloosstelling. De vergoeding van dergelijke schade heeft een repeterend karakter en deze schade kan op abstracte wijze kan worden beredeneerd (de eventuele omstandigheid dat een benadeelde niet overgaat tot verkoop van zijn recht, doet niets af aan de verplichting tot vergoeden van de geleden waardevermindering).[1] 
 
In dit geval beredeneert de deskundige dat er sprake is van twee schadegrondslagen, namelijk die op basis van het rijksinpassingsplan en die van de gedoogplicht. De deskundige lijkt uit te gaan van het gegeven dat het rijksinpassingsplan, de planologische grondslag voor de feitelijke verbinding, deze schadesoort (waardedaling) veroorzaakt. Dit omdat deze schadeoorzaak er eerst was. Deze planologische grondslag wordt niet geëlimineerd, maar wordt als vaststaand feit aangenomen. Daarom is de waardedaling geen gevolg van de instandhouding van het werk waarvoor een gedoogplicht is opgelegd, maar een gevolg van de daarvoor genomen planologische maatregel. Om die reden wordt in dit geval dan ook enkel de schade als gevolg van de aanleg van het werk vergoed.
 
Naar analogie met de onteigeningswet?
Het streven naar volledige schadeloosstelling van rechthebbenden die te maken krijgen met een onteigening of gedoogplicht is in de Onteigeningswet en de Belemmeringenwet Privaatrecht identiek. Ook het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stelt in haar arrest van 16 juni 2009 dat de Belemmeringenwet Privaatrecht in een financiële compensatie voorziet die qua karakter en resultaat vergelijkbaar is met de een door de Onteigeningswet verzekerde schadeloosstelling.[2] 
 
Nu het hof stelt dat slechts de waardevermindering kan worden gevorderd bij het planschadeloket, komt schade die wordt geleden door de aanwezigheid van de hoogspanningslijn niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof acht een analoge benadering van artikel 40c Onteigeningswet niet mogelijk zonder geldende wettelijke grondslag. 

De Hoge Raad heeft op 15 januari 2016 een vijftal arresten gewezen in het kader van eliminatie van bestemmingsplannen voor het werk op grond van artikel 40c Onteigeningswet.[3] Onder andere volgt uit deze arresten dat alleen plaats is voor eliminatie indien het werk waarvoor onteigend is tot stand is gebracht voor rekening en risico van rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 en 2 Burgerlijk Wetboek. Ook spreekt de Hoge Raad uit dat het bestemmingsplan geëlimineerd dient te worden voor zover dit niet zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld, maar slechts ertoe strekt de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt, mogelijk maakt.
 
Exact dit, is in onderhavige zaak aan de hand. Het rijksinpassingsplan strekt er slechts toe de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te vormen die de aanleg - die door TenneT zal worden gedaan- van de hoogspanningsverbinding mogelijk maakt. Wanneer dit uitgangspunt naar analogie meegenomen wordt naar de situatie in kwestie, moet het rijksinpassingsplan geëlimineerd worden en kan de waardedaling (volledig) worden vergoed op grond van artikel 14 Belemmeringenwet Privaatrecht.
 
De uitspraak van het hof staat haaks op de eliminatie-praktijk binnen het (vergelijkbare) onteigeningsrecht. Het karakter van een schadevergoeding op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht, namelijk een volledige schadeloosstelling, komt hierdoor niet goed tot uitdrukking. Temeer omdat een eventuele planschadevergoeding over het algemeen maar een deel van de geleden schade vergoedt. De ratio achter de eliminatieregels is de redelijkheid. De Hoge Raad heeft deze eliminatieregels geïntroduceerd in de onteigeningsrechtsspraak. Pas daarna zijn deze regels in de wet terechtgekomen. Het hof kiest er in dit geval voor om de Belemmeringenwet Privaatrecht letterlijk uit te leggen en geen aansluiting te zoeken bij de redelijkheids-correctie die de Hoge Raad in het onteigeningsrecht wel toepast.

Ook wanneer er wel zou worden geëlimineerd zal de fysieke schade die rechthebbenden lijden door de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding te alle tijden goed gemotiveerd moeten zijn, wanneer zij die schade vorderen op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Dit komt duidelijk naar voren in het eerder aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 1979. Hier was er ook sprake van een aannemelijke waardedaling door toedoen van een duurzaam aanwezige hoogspanningsverbinding.
 
Toekomst
Ik ben erg benieuwd hoe dit rechtsgebied zich in de toekomst gaat ontwikkelen. Vinden de rechters het wenselijk de eerder aangehaalde eliminatieregels analoog toe te passen op schadeloosstelling op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht? Of houden zij vast aan het standpunt van twee aparte wetten met een verschillende schadeloosstellingsstructuur en dat bovendien het rijksinpassingsplan de primaire schadegrondslag is? Ook gezien de komst van de toekomstige Omgevingswet, waarin de Belemmeringenwet Privaatrecht zal worden vervat, is het interessant om de ontwikkelingen te volgen.
 
 
[1] HR 22 mei 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB5597, HR 6 december 1963, ECLI:NL:HR:1963:AB3973 en HR 2 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7302.
[2] Gh ’s-Hertogenbosch, 16 juni 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:4224.
[3] HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:24

Dit stuk is geschreven door onze collega Jesse Schim van der Loeff en is gepubliceerd op onze rentmeestersblog

 
Terug naar boven